ABC Milieugroep

23/06/2006

OESO: Landbouw ontvangt 225 miljard euro overheidssteun

Boeren uit de Westerse industriestaten ontvingen vorig jaar 225 miljard euro overheidssteun. Dit is goed voor 29% van hun inkomen. Dat hebben economen van de OESO berekend. De steun was even hoog als in 2004. Op langere termijn is er wel een daling merkbaar.De Europese Unie betaalde boeren 107,6 miljard euro steun. Dit is goed voor 32% van hun inkomen. Eind jaren tachtig waren de Europese landbouwsubsidies nog goed voor 41% van het inkomen van de landbouwers. De Verenigde Staten betaalden hun boeren vorig jaar 16% van hun inkomen, tegen 22% eind jaren tachtig. In Zuid-Korea, Noorwegen en Zwitserland komt het inkomen van boeren volgens de OESO voor bijna tweederde uit steun van de overheid.

Steun handelsverstorend
In 2005 was 59% van de steun bestemd voor prijsondersteuning, via exportsubsidies, productiesteun en invoertarieven. Dit is de meest handelsverstorende soort subsidie. Het is vooral dit soort steun die ter discussie staat binnen de wereldhandelsorganisatie WTO. Op het einde van de Uruguayronde bedroeg dit percentage nog 83%.
De OESO is er van overtuigd dat landbouwsubsidies negatief zijn voor de economie in nagenoeg alle landen van de wereld. Ze verstoren de handel. Het geld stroomt vooral naar grondbezitters en het milieu wordt er extra door belast. De prijzen worden kunstmatig hoog gehouden en er wordt veel geld uit de economie onttrokken.

Liberalisering
De OESO studie wordt niet direct gekoppeld aan de lopende onderhandelingen over verdere vrijmaking van de wereldhandel binnen de WTO. Toch worden die onderhandelingen volop gesteund. Een halvering van de landbouwsubsidies en van de invoerheffingen op landbouwproducten zou wereldwijd 35 miljard euro extra welvaart brengen. De grootste winnaars van een liberalisering zijn enerzijds de landen met de meest concurrerende landbouw en aaan de andere kant de landen met de grootste steun. De eerste krijgen meer mogelijkheden, de tweede groep bespaart op subsidies, terwijl de prijs voor het voedselpakket daalt.

Slachtoffers
De OESO is echter niet onvoorwaardelijk voor liberalisering. Een niet-begeleide liberalisering zou namelijk slachtoffers onder de allerarmsten. Het openen van de wereldmarkt is alleen goed voor wie actief is op die wereldmarkt. Wie te klein of te weinig concurrerend is, kan niet mee op de wereldmarkt. Een arme boer in Afrika zou wel eens meer concurrentie kunnen ondervinden van goedkoop voedsel uit andere landen. De OESO pleit daarom voor begeleiding via opleiding van boeren, investeringen in infrastructuur en specifieke bescherming.

OESO, 21/06/06

16/06/2006

Nederland moet keihard stelling nemen tegen lobby walvisjagers

15-9-2006 komt de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) bijeen in St. Kitts, West Indies. Net als Groot-Brittannië, Australië en Duitsland zou Nederland daar oppositie moeten voeren tegen landen die het verbod op de walvisjacht ondermijnen. Maar in plaats daarvan hult de Nederlandse regering zich in een mist van zalvende woorden.Nederland wil de jacht niet verbieden maar reguleren. Daarmee wordt echter het probleem van de landen die zich niet aan het verbod op de walvisjacht houden niet opgelost. De SP riep minister Veerman vandaag dan ook op zijn bruggenbouwende rol op te geven en keihard stelling te nemen tegen de lobby van de walvisjagende landen.

De walvisjacht is ondanks het verbod erop nog steeds desastreus groot. Sinds het verbod op de commerciële walvisjacht in 1986 van kracht werd, zijn er wereldwijd al meer dan 25.000 walvissen gedood. De jacht op walvissen in Noorwegen is momenteel in volle gang en de walvisvaarders hebben dit jaar toestemming 1052 walvissen te doden, het grootste aantal sinds de commerciële walvisvaart in 1993 in Noorwegen werd hervat. Japan heeft de walvisjacht onder wetenschappelijke vlag verder uitgebreid en in maart van dit jaar een aantal vergunningen afgegeven voor de vangst van in totaal 120 dwergvinvissen. Dit boven op het hervatte walvisvaartprogramma, Jarpa-II, waarmee Japan 935 dwergvinvissen en tien gewone vinvissen wil vangen.

Ieder jaar wordt door de walvisjagende landen hun quotum weer verhoogd. Dit terwijl herstel van het walvisbestand juist zo belangrijk is voor hun overlevingskansen in de vervuilde wereldzeeën. De walvis wordt nog steeds bedreigd en een verbod op de vangst blijft hard nodig. De hervatting van de jacht door IJsland heeft tot veel verzet geleid, omdat het kijken naar walvissen door toeristen (whale watching) gebaat is bij een groot aantal van deze indrukwekkende zeezoogdieren. Walvistoerisme is voor de lokale bevolking in arme én rijke landen veel lucratiever dan jagen.

Naast het feit dat de jacht het voortbestaan van de walvis bedreigt, wordt deze ook op wrede wijze gedood. De Japanners, maar ook de Noren en IJslanders proberen deze wreedheden te verhullen. Het spaarzame inzicht dat ze geven, leert dat bij de Noren 20% van de aangeschoten dieren niet direct gedood wordt. Bij de Japanners treft dat lot maar liefst 60 % van de walvissen. De doodstrijd van een walvis met een harpoengat in het lijf van minstens 20 cm doorsnede blijkt daarbij één tot anderhalf uur te kunnen duren. Een aantal walvissen leeft nog als ze aan boord in stukken wordt gesneden.

Het aantal deelnemers in het IWC breidt zich uit. Niet omdat steeds meer landen met de walvis begaan zijn, maar omdat kleine landen worden ‘gekocht’ om hun stem te verlenen aan landen als Japan. Voor het eerst tekent zich in de IWC een meerderheid af vóór de commerciële walvisjacht. Daarom is de opstelling van Nederland juist niet constructief maar eerder desastreus. De Nederlandse regering ziet de oplossing onder andere in een beheersplan (Revised Management Scheme). Het beheerplan bepaalt onder meer hoeveel walvissen geschoten zouden kunnen worden.

Nederland denkt dat een formeel geaccepteerd quotum tot gevolg zal hebben dat Japan, Noorwegen en IJsland weer naar de IWC zullen luisteren en daardoor minder walvissen zullen doden. Ondanks meer dan 20 resoluties die sinds 1987 tot een stop opgeroepen hebben gaan Japan en Noorwegen onverminderd door met jagen op walvissen. Te denken dat het beheersplan deze landen wel tot beperking zou brengen is in dat kader bijzonder naïef. Bovendien doet het nu voorgestelde beheersplan niets om het welzijn van de walvis te beschermen; over de wreedheid van de walvisjacht wordt amper gesproken.

SP-Kamerlid Van Velzen: “De opstelling van Nederland is altijd die van bruggenbouwer geweest. Uit angst dat landen als Japan uit het IWC zullen stappen worden slappe compromissen gesloten zoals jacht voor de wetenschap en beheersplannen. Minister Veerman moet zich echter gaan realiseren dat de walvisjagende landen over de beschermingsgezinde, niet-jagende landen heenwalsen en zich nooit zomaar over zullen geven. Daarom zijn harde ultimatums en stevige stellingname nodig. De Nederlandse bevolking wordt in de waan gelaten, dat de regering strijdt voor de bescherming van walvissen. Als Nederland echt aan de bescherming van walvissen hecht, dan zou zij nu spijkers met koppen moeten slaan en zich uit moeten spreken tégen het beheersregime en tégen de jacht voor wetenschappelijke doeleinden”.

05/06/2006

Sla kan ook een infectiebron voor E.coli zijn

Het eten van rauwe groenten kan aan de basis van een voedselinfectie liggen. Via de mest Salmonella en E.coli bacteriën op sla-plantjes terecht komen, waarbij ze ook tot in het gewas kunnen doordringen. Dat zegt drs. Eelco Franz van de leerstoelgroep Biologische bedrijfssystemen van de Wageningen Universiteit.In runderen huizen tal van bacteriën die voor de mens gevaarlijk zijn. Volgens schattingen is minstens 10% van de Nederlandse rundveestapel besmet met E. coli O157:H7. Deze bacterie kan een een ernstige vorm van voedselvergiftiging veroorzaken. Mensen kunnen niet allen via het eten van vlees besmet raken, maar ook via groente en fruit dat via rundermest is bemest.

Franz onderzocht in hoeverre de risicobacteriën zich kunnen handhaven in mest. Biologische groentetelers gebruiken standaard dierlijke mest, en door de verscherpte regels rond mestafvoer zijn ook de gangbare groentetelers meer van deze mest gaan gebruiken. Het blijkt dat E. coli O157:H7 meer dan 80 dagen kan overleven in mest. Met name als koeien veel maïs in het rantsoen krijgen overleeft de bacterie gedurende lange tijd. Bij koeien op een vezelrijk dieet van ingekuild gras, is dat aanzienlijk korter. Ook blijken er verschillen in het bodemtype. In kleigrond met gangbare teelt overleven de gevaarlijke bacteriën een periode van 60 dagen terwijl ze op zandgrond op biologische bedrijven al na 12 dagen zijn verdwenen.

Sla-planten nemen de bacterie op tot wel duizend bacteriecellen per gram sla. Bij dergelijke niveaus kan iemand van eten van de sla ziek worden. Door mest voor het gebruik te composteren vermindert het risico op een infectie. Het is ook goed om de mest gedurende 4 maanden op te slaan voor deze aan te wenden. In Nederland zijn er overigens nog geen uitbraken van voedselvergiftiging door rauwe groenten bekend.

01/06/2006

LANDBOUW – Natuur en Milieu kritisch over mestplan LTO

Land- en tuinbouworganisatie LTO Nederland presenteerde eind mei 2006 een Actieplan Mestafzet, dat is opgesteld naar aanleiding van de gestegen mestafzetkosten. Het plan bestaat uit twee marktmaatregelen (een voorlichtingscampagne en projecten rond dierlijke mestafzet en veevoer) en vier politieke beleidsvoorstellen (dierlijke mest ‘kunstmest’ noemen, minder barrières voor mestverwerking, nog ruimere derogatie en fors afschaffen mestbemonstering).

Stichting Natuur en Milieu is positief over de door LTO voorgestelde marktmaatregelen. Het is hoog tijd dat LTO de veevoersector de maat neemt om aan te tonen of de veehouders onnodig op kosten worden gejaagd door te hoge stikstof- en fosforgehalten in het voer, en door te hoge adviesgiften. Natuur en Milieu is echter zeer negatief over de voorgestelde overheidsmaatregelen, waarmee LTO voor boeren extra ruimte zoekt die ten koste gaat van het milieu.

Natuur en Milieu ziet in dat veel intensieve veehouders in de verdrukking komen, zoals eerder bleek uit berekeningen van het Wageningse onderzoeksinstituut LEI. Met name veehouders die niet goed anticipeerden op het nieuwe mestbeleid, ervaren problemen. Dit rechtvaardigt volgens Natuur en Milieu echter niet dat de Europese en Nederlandse milieuregels verder worden opgerekt.

Het pleidooi voor een nòg ruimere derogatie is ongehoord, slecht onderbouwd en kansloos. Nederland heeft de enorm hoge derogatie immers van Europa gekregen onder de voorwaarde dat in 2009 wordt voldaan aan het doel van de Nitraatrichtlijn (maximaal 50 milligram nitraat per liter grondwater). Dit blijkt al na één jaar al moeilijk haalbaar, getuige het recente rapport van het Milieu-en Natuurplanbureau over het nieuwe mestbeleid. Hieruit blijkt dat in 2009 – en zelfs in 2030 – de norm van de Nitraatrichtlijn op veel plaatsen niet gehaald zal worden. Natuur en Milieu meent daarom dat eerder aanscherping van normen nodig is, en zeker geen verruiming. Dat is ook in het belang van de veehouderij: alleen als in 2009 de grondwaternorm gehaald wordt, kan de derogatie na 2009 worden verlengd.

Ook het pleidooi voor het nog verder loslaten van weging, bemonstering en analyse van mest – na eerdere flinke versoepelingen voor boer-boer transport – is maatschappelijk onverantwoord. Dit aspect vormt juist de harde kern van het nieuwe mestbeleid en de handhaving daarvan.

Natuur en Milieu steunt het idee van gesloten kringlopen. Maar niet het LTO-plan, dat dierlijke mest vanaf nu kunstmest wil noemen en champost (hergebruikte mest nadat er champignons op zijn geteelt) niet als fosfaataanvoerpost wil meetellen. Beter is het om kunstmest onaantrekkelijker te maken door er een heffing op te zetten. Of door te kiezen voor aanvoerbeperkingen, bijvoorbeeld op gronden met een hoge fosfor-toestand of bij plaatselijk blijvend hoge nitraatgehalten in grondwater. Zo worden akkerbouwers gedwongen dierlijke mest af te nemen, en moeten veehouders de mest ‘op maat’ leveren in duurzame relaties en met regionale mestopslag in akkerbouwgebieden.

In ieder geval is het noodzakelijk dat de dierrechten tot 2015 worden gehandhaafd, zodat een nieuwe groei van de varkens- en pluimveestapel is uitgesloten, ook bij hoge marktprijzen of ingeval van zeer succesvolle mestverbranding of –export.

De problemen van de mestmarkt kunnen het beste collectief worden aangepakt via het verminderen van de mestproductie. Natuur en Milieu denkt hierbij aan het schrappen met terugwerkende kracht van op 1 januari 2006 aanwezige latente varkens- en pluimveerechten, en het opnieuw invoeren van het korten van rechten bij verhandeling. Voor knelgevallen van veebedrijven die dichtbij natuurgebieden liggen (ammoniakproblematiek), zou gekeken kunnen worden naar bedrijfsopkoop. Hierdoor zullen mestafzetkosten dalen èn zal het milieu profiteren.

[powered by WordPress.]

Home

Vereniging:

Medewerkers

categories:

Waarnemingen:

Invoeren

Bekijken

Handleiding

Forum

 

Archief:

juni 2006
Z M D W D V Z
« mei   jul »
 123
45678910
11121314151617
18192021222324
252627282930  

Overig:

Je kunt er niet omheen.... Bijna dagelijks worden wij met onze neus op milieuproblemen gedrukt: stank, lawaai, verontreinigd water... maar ook structurele problemen: stervende bossen, verzuurde bodem, broeikas-effect, verkeersellende, aantasting van de ozonlaag enz... Al deze symptomen wijzen erop dat natuur en milieu ernstig ziek zijn en dat met vereende krachten door politici, bedrijfsleiders, wetenschappers, milieuactivisten én iedere burger getracht moet worden onze aarde ongeschonden door te geven aan hen die na ons komen. Wij als ABC_MILIEUGROEP voelen ons verantwoordelijk voor onze kinderen en kleinkinderen.

Links:

18 queries. 0.355 seconds