ABC Milieugroep

11/04/2009

Zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Buitengebied 2008

De vereniging ABC milieugroep brengt de navolgende zienswijzen ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan buitenge-bied 2008 naar voren.

I. Inleiding

Graag willen wij in de eerste plaats onze waardering uitbrengen voor diverse beleidsuitspraken en uitgangspunten die wij van harte onderschrijven. Helaas vinden wij uw ambities niet altijd terug in het juridisch harde deel van het ontwerpbestemmingsplan. Wij vinden het voorts een gemiste kans dat voorafgaande aan de ter inzage legging van dit ontwerpbestemmingsplan geen structuurvisie is vastgesteld zoals de Wet ruimtelijke ordening vereist. Het Ruimtelijk Econo-misch Kaderplan (REK) waarnaar op vele plaatsen wordt verwezen kan naar onze mening niet als zodanig dienst doen. Het REK hanteert daartoe te zeer een eenzijdig uitgangspunt, te weten economische belangen, en dit plan is mede om die redenen destijds op niet mis te verstane kritiek vanuit diverse (natuur- en milieu) organisaties (de BMF, Mark en Leij, Staatsbosbeheer, Wiele-waal en de ABC milieugroep) gestuit. Een grondige studie met een duidelijke visie vanuit het perspectief natuur, cultuur en landschap wordt ook in het ontwerpbestemmingsplan 2008 node gemist. Wij hopen daarom dat bij het opstellen van een structuurvisie in samenspraak met (leden van) genoemde organisaties tot planvorming wordt overgegaan of in elk geval een klankbord-groep wordt samengesteld. Helaas heeft anders dan in de toelichting (p. 113) is vermeld terzake van het onderhavige ontwerpbestemmingsplan geen voorafgaand overleg met de ABC milieu-groep en de BMF plaatsgevonden. In het ons gegeven korte tijdsbestek hopen wij met onze kriti-sche zienswijzen een positieve bijdrage te leveren aan een evenwichtiger bestemmingsplan bui-tengebied.

II. Natuur

Onder de bestemming natuur- en bosgebied (artikel 13) gaat een grote hoeveelheid doeleinden schuil. Het kan gaan om bossen, poelen, waterberging, cultuurhistorische en aardkundige waar-den enzovoort. Wij vragen ons af of het onder eenzelfde paraplu brengen van deze grote hoe-veelheid doeleinden bevorderlijk is en voldoende rechtszekerheid biedt. Het komt de inzichte-lijkheid niet ten goede en er kunnen makkelijk ‘foutjes’ worden gemaakt. Om een juiste waarde-ring te kunnen maken zullen diverse kaarten moeten worden geraadpleegd, waaronder provincia-le kaarten. Ook kunnen sommige doeleinden onderling conflicteren. Zo kunnen cultuurhistori-sche en aardkundige waarden aangetast worden door aanplant van bossen of de aanleg van wa-terpartijen. De regels van artikel 13 zijn door deze waaier van doeleinden onvoldoende specifiek en ze bieden te weinig ook op aardkundige en cultuurhistorische waarden afgestemde bescher-mingsvoorschriften (zie verder punt V). Ook het wisselend regime voor poelen (soms land-schapselement; artikel 11, soms natuur en bosgebied; artikel 13), en zandwegen met historische waarden (soms landschapselement; artikel 11 en soms verkeer; artikel 16, aldus ook de toelich-ting p. 121), leidt tot rechtsonzekerheid en is ongewenst. Het valt vanwege de daarmee gepaard gaande verschillende beschermingsregimes ook niet te motiveren. Dit probleem doet zich in nog heviger mate gevoelen met betrekking tot de historische groenstructuren (toelichting, p. 120) die onder vier verschillende bestemmingsplanvoorschriften (regels) en dus vier verschillende be-schermingsregimes vallen (artikel 8, artikel 9, artikel 11 en artikel 16). Het geheel oogt weinig doordacht en wij zien graag een eenduidiger bestemming voor deze waarden.

Voorts valt in het algemeen op dat er in het geheel genomen ten onrechte geen toets aan Vogel- en Habitatrichtlijnen en geen toets aan de Flora- en Faunawet heeft plaatsgevonden. Baarle-Nassau ligt op verschillende plaatsen nabij Belgische Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Zoals de Raad van State in de uitspraak betreffende het reconstructieplan De Baronie heeft aangegeven (o.a. overweging 2.39.3) zal op bestemmingsplanniveau rekening moeten worden gehouden met deze zwaar beschermde gebieden. Omdat in het ontwerpbestemmingsplan aan diverse bedrijfsac-tiviteiten, zoals ten aanzien van de hierna te bespreken intensieve veehouderijen en recreatiebe-drijven, uitbreidingsruimte wordt vergund, ook als die activiteiten plaatsvinden in gebieden met beschermde natuurwaarden c.q. diersoorten, wordt tevenseen toets aan de Flora- en Faunawet gemist, zodat de vraag rijst of het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Deze ‘natuurtoetsen’ behoren alsnog te worden verricht. Voorts moeten in elk geval rond de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden beschermingszones op de plankaart (verbeelding 1) worden opgenomen.

Daarnaast verdienen de navolgende punten in het bijzonder aandacht:

a.    Binnen de bestemming natuur is geen onderscheid gemaakt tussen nieuw te ontwikkelen natuur en bestaande natuur. Er is flankerend beleid nodig om nieuwe natuur te realise-ren. Dit is zeker het geval indien nieuwe natuur ter compensatie dient zoals bijvoorbeeld aan de orde in de toelichting, p. 127. De beleidsregel natuurcompensatie van de provin-cie moet in die gevallen worden gevolgd. Deze beleidsregel dient als bijlage te worden opgenomen bij de Regels.
b.    Ten onrechte is op de bestemmingsplankaart (verbeelding 1) geen onderscheid aange-bracht tussen EHS, EVZ en overige natuur. De aan de toelichting toegevoegde EHS-kaart van de provincie geeft onvoldoende inzicht. De gebieden uit het natuurgebiedsplan en beheersgebiedsplan moeten op perceelsniveau in het bestemmingsplan worden over-genomen. Het bestemmingsplan voldoet hieraan niet. In het ontwerpbestemmingsplan zijn ook verschillende EHS-gebieden ten onrechte niet op de bestemmingsplankaart (ver-beelding 1) terug te vinden. Zie hiervoor de bijgevoegde kaarten waarop met groen de ontbrekende EHS is aangegeven (bijlage 2). Deze gebieden moeten alsnog worden opge-nomen.
c.    Een soortgelijk euvel doet zich voor bij de EVZ. De EVZ moet op de bestemmingsplan-kaart (verbeelding 1)  zijn weergegeven. Nu wordt de bescherming van de EVZ oncon-troleerbaar en worden wederom zones gemist, zoals de Oude Bredase Baan en waterlo-pen als Het Groot Vergoor en de Strijbeekse Beek. De reactie op de terzake eveneens door de provinciale geuite kritiek (toelichting, p. 117) vinden wij niet adequaat. Nieuwe EHS- en EVZ-verplichtingen doen niet aan de beschermingsplicht van de bestaande EHS en EVZ’s af. Nieuwe verplichtingen kunnen op z’n minst op een toe te voegen kaart worden geduid zodat de ‘voortgang’ kan worden bewaakt. De nieuw te ontwikke-len natuur in verband met de ruilverkaveling zal toch ook zeker binnen de komende be-stemmingsplanperiode (moeten) zijn gerealiseerd! In dat licht merken wij op dat een ontwikkelingskaart ontbreekt waarop is aangegeven waar kwaliteitsverbetering van het landschap wordt voorgestaan evenals de ontsnippering van doorsneden gebieden middels EVZ’s. Ook behoort in de regels (artikel 27) een algemene wijzigingsbevoegdheid voor de te realiseren EHS en EVZ’s te worden opgenomen, los van wie de realisatie op zich neemt. De wijzigingsbevoegdheid mag niet louter afhankelijk worden gesteld van de na-tuurbeherende instanties.
d.    Hoewel aan ons indertijd is toegezegd dat het boek Bomen in Baarle als leidraad zou worden gehanteerd missen wij, met de provincie, een aanduiding op de bestemmings-plankaart (verbeelding 1) van solitaire monumentale bomen, diverse houtwal-len/bosschages en historische groenstructuren. Voor een goede bescherming tegen een sluipende verdwijning van deze waarden en daarmee een nivellering van het landschap is het van belang dat dezen alsnog op verbeelding 1 worden aangegeven. De in de toelich-ting (p. 120) gegeven reactie is niet naar genoegen, aangezien van een kapvergunning-plicht onvoldoende, want beduidend minder, bescherming uitgaat. Dit klemt temeer om-dat de kapvergunningplicht voor deze elementen in veel gemeenten gaat verdwijnen.
e.    Ten onrechte zijn stiltegebieden en duisternisgebieden niet beschermd. Duisternis is sa-men met rust en stilte een kernkwaliteit van onze leefomgeving: Kaart 15A behorende bij het reconstructieplan De Baronie behoort in het ontwerpbestemmingsplan te worden meegewogen en te zijn opgenomen op de kaart natuurwaarden (verbeelding 2a).
In dat verband merken wij nog op dat zware verlichtingsmasten in het buitengebied moe-ten worden geweerd. Bij paardenbakken of sport- en speelvelden van recreatiebedrijven horen geen lichtmasten te worden toegestaan, zeker niet in de Groene Hoofdstructuur. Hiervoor verwijzen wij naar de toelichting onder punt 4.8.2 (p. 95). Wij verzoeken u daarom de lichtmasten onder meer uit artikel 7.2.3 (paardenhouderij) en artikel 14.2.2 (recreatie) te schrappen.
f.    In de bestemmingsregels is in artikel 13 (natuur- en bosgebied) onder 13.2.1. ten onrech-te de mogelijkheid van erfafscheidingen toegestaan. In de toelichting (p. 98) wordt op-gemerkt dat erfafscheidingen in bossen en natuurgebieden uitsluitend ten dienste van het natuurbeheer zijn toegestaan. Erfafscheidingen belemmeren doorgaans het gebruik van deze natuur door bijvoorbeeld hazen, reeën en andere in het wild voorkomende diersoor-ten. Deze mogelijkheid moet derhalve in artikel 13.2.1 worden geschrapt dan wel aan strikte voorwaarden worden gebonden. Overigens vormen erfafscheidingen nogal eens de voorbode van ongewenst illegaal (recreatief) gebruik, waarover onder punt VIII, en zijn ze ook om die reden niet gewenst.
g.    In de bestemmingsregels is in artikel 13.3.4 een algemene ontheffingsbevoegdheid opge-nomen. Met het oog op de bestemming natuur is en moet deze bevoegdheid als leeg wor-den beschouwd en zien wij deze regel vanwege de verkeerde suggestie die daarvan uit kan gaan liever geschrapt. Hetzelfde geldt voor artikel 11.3.3 en artikel 17.3.3.
h.    In artikel 13.5 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen van natuur naar de bestemming sport ten behoeve van de realisering van een golfbaan op de gronden behorende tot het voormalige MOB-complex. Dit komt ons niet juist voor. Na veel overleg is besloten het MOB-complex terug te geven aan de natuur en provincie en rijk hebben de gemeente niet voor niets op deze verplichting gewezen (toelichting, p. 124). In dat licht past het niet te-gelijkertijd het MOB complex als natuur te bestemmen en een wijzigingsbevoegdheid op te nemen naar sport. Een wijzigingsbevoegdheid voor dit omvangrijke project achten wij voorts een te licht middel. Er dient op z’n minst een nieuwe bestemmingsplanprocedure te worden gevolgd. Ook is de wijzigingsbevoegdheid te ruim geformuleerd en aan onvol-doende voorwaarden verbonden. Er geldt een compensatieplicht en hierin dient daarom tegelijkertijd te worden voorzien.
i.    Het is niet begrijpelijk waarom de regels betreffende de omzetting van Agrarische waar-den in natuur, de artikelen 8.5.2 en 9.5.4 weinig of geen ruimte laten voor particulier ini-tiatief. In vergelijkbare zin het directieadvies van de provincie, toelichting p. 116. Onder de voorwaarden van een verantwoord en deskundig initiatief is het wenselijk deze moge-lijkheid te openen.
j.    Binnen de GHS-landbouw is een drietal hoofdzones en een 11-tal bijbehorende subzones van de kwetsbare soorten aangewezen (planten en plantengemeenschappen, weidevogels, ganzen en zwanen, vogels van moerassen en kleine wateren, vogels van schorren, slik-ken, vogels van bos en heides, amfibieën en reptielen, dagvlindersoorten van droge bio-topen, dagvlindersoorten van natte biotopen, diersoorten van stromend water, beheersge-bieden). Deze zijn beschreven in de Handreiking Ecologische bouwstenen. Op verbeel-ding 2a staan maar enkele subzones aangegeven. Door niet alle subzones op de verbeel-ding te vermelden zou de indruk kunnen worden gewekt dat deze niet tot de GHS beho-ren. Beleid dat gericht is op de totale GHS wordt daardoor lastiger. Wij verzoeken al de-ze zones op te nemen. Ook de GHS-natuur (EHS), waartoe de natuurparels en bos- en natuurgebieden behoren, moet herkenbaar zijn en worden weergegeven.

III.  Intensieve veehouderijen

Onze zorgen over de komst van megastallen in Baarle-Nassau hebben wij aan uw gemeenteraad reeds eerder kenbaar gemaakt. Met dit ontwerpbestemmingsplan worden deze zorgen er niet minder op. Wij dringen er (nogmaals) op aan in deze kwestie beleid te formuleren om niet achter de feiten aan te lopen.
Verder vragen wij in het bijzonder aandacht voor de volgende aspecten:

a.    Het LOG-Ulicoten Noord is op verbeelding 3 onjuist weergegeven. Daar waar dit LOG een overlap heeft met het leefgebied kwetsbare soorten is ingevolge het Herziene recon-structieplan De Baronie in elk geval de aanduiding secundair LOG aangewezen.
b.    Beplantingsplannen zijn slechts bij vergrotingen en vormverandering verplicht gesteld. Wij achten het wenselijk ook bij de bestaande en nu toegekende (grotere) bouwblokken groen- en erfbeplanting voor te schrijven. Wij zien geen aanleiding om geen beplanting voor te schrijven bij uitbreidingen minder dan 1,5 ha en verzoeken daarom deze beper-king in de steeds hierop betrekking hebbende bepalingen (artikel 3.5.1 onder d; artikel 8.5.1 onder d; artikel 9.5.1 onder d) te schrappen. Overigens wordt hier ook een LOG-inrichtingsplan node gemist. Wij dringen er bij u op aan hierin zo spoedig mogelijk te voorzien en geen nieuwvestigingen in LOG’s mogelijk te maken zonder een fatsoenlijk inrichtingsplan.
c.    Volgens bijlage V van het reconstructieplan De Baronie moeten intensieve veehouderijen in het bestemmingsplan bouwblokken op maat worden toegekend.  Een groot aantal bouwblokken respectievelijk bouwvlakken is in het ontwerpbestemmingsplan te groot en dus niet ‘op maat’, bijvoorbeeld bedrijven aan het Groeske, Groot Bedaf en Driehuizen. Omdat het hier gaat om te grote bouwblokken, waarvan sommige buitenproportioneel groot, die niet zijn gebaseerd op het Streekplan van 1992, dient de gemeente hier een bouwblok op maat toe te kennen op basis van de actuele feitelijke situatie.
Ook is sprake van gestippelde bouwwerken, dat wil zeggen niet bestaand, die als basis dienen om meer uitbreidingsruimte te gunnen zoals aan ’t Ghil 13. Aansluiting bij de mi-lieuvergunning zoals in de toelichting (p. 117) wordt opgemerkt is niet correct omdat bij de verlening van een milieuvergunning niet alle ruimtelijk relevante aspecten zijn mee-gewogen. Milieuvergunningen die na de vaststelling van het reconstructieplan zijn ver-leend zonder dat een bouwvergunning werd aangevraagd mogen niet aan de uitbreidings-ruimte ten grondslag worden gelegd omdat daardoor het bouwblok op maat-principe wordt omzeild.
d.    In de bestemmingsplanregels is in artikel 3 (agrarisch) onder 3.5.1 sub h punt 3 en 4 een wijzigingsmogelijkheid naar agrarisch bedrijf opgenomen tot maximaal 2,5 ha. in ver-wevingsgebieden en in landbouwontwikkelingsgebieden is in het geheel geen maximum gesteld. Deze regels zijn in strijd met het reconstructieplan die in verwevingsgebieden slechts een vergroting tot 1,5 ha. en in landbouwontwikkelingsgebieden tot 2,5 ha. toe-staat. Hetzelfde euvel doet zich voor in vervolgartikelen als artikel 8.5.1 sub f punt 3 en 4 en artikel 9.5.1 sub f onder punt 3 en 4.
e.    Volgens het bepaalde in artikel 3.5.2. onder g is nieuwvestiging van een intensieve vee-houderij op 5 meter van de bestemming water toegestaan. Een minimale afstand van 50 meter achten wij meer gepast en wenselijker.
f.    Op Hondseind zijn twee nieuwe (bouwblokken voor) intensieve veehouderijen op be-stemmingsplankaart (verbeelding 1) opgenomen. Anders dan voorgeschreven heeft er in het geheel geen toets aan ruimtelijke – en andere omgevingskwaliteiten plaatsgevonden. Zolang er geen inrichtingsplan voor LOG’s is behoort nieuwvestiging niet mogelijk te zijn. De nieuwvestiging alhier is ook niet in overeenstemming met de overeengekomen spelregels bij het reconstructieplan waar eerst in het LOG De Dekt en pas in later stadi-um in LOG Ulicoten nieuwvestigingen zijn aangewezen. Verder is nieuwvestiging op deze locatie in strijd met de Beeldkwaliteitsplannen De Baronie en stuit de vestiging hier op een probleem qua infrastructuur; de bedrijven liggen aan een zandweg! Verplaatsing zonder de bestaande agrarische bedrijfsbestemming te schrappen is niet geoorloofd. Evenmin is hier sprake van toepassing van het bouwblok op maat-principe. Tot slot vra-gen wij ons af of nieuwvestiging aan de orde is, nu thans dan wel in de komende be-stemmingsplanperiode in een straal van 10 km. zeker alternatieve, bestaande agrarische locaties vrijkomen.
g.    Wij wijzen er op dat er diverse locaties als intensieve veehouderijen zijn bestemd terwijl feitelijk de agrarische functie is beëindigd, bijvoorbeeld Maaijkantsestraat 1, of er is geen sprake van een intensieve veehouderij, bijvoorbeeld Hondseind 11 en Maaijkant 2. Een inventarisatie aan de hand van actuele feitelijke situatie en/of milieuvergunningen kan behulpzaam zijn bij het actualiseren van de bestemmingen intensieve veehouderij.
De gemeente heeft hiertoe een actualiseringsplicht.
h.    In artikel 4.3.2 sub a punt 3 is de omschakeling naar een intensieve veehouderij aange-merkt als niet strijdig gebruik. Dit verdraagt zich niet met de ontheffingsbevoegdheid zo-als geregeld in artikel 4.3.4. Ook is de omschakeling van glastuinbouw naar intensieve veehouderij volgens provinciaal beleid terzake niet toegestaan. Het bepaalde in artikel 4.3.2 sub a punt 3 behoort te worden geschrapt.
i.    Artikel. 4.3.4. regelt dat ontheffing kan worden verleend voor wijziging “normaal” agra-risch bedrijf naar intensieve veehouderij in verwevingsgebieden of LOG’s. Lid b stelt al-leen voor verwervingsgebieden de eis van een duurzame locatie volgens de handreiking. Ook in landbouwontwikkelingsgebieden dient een omschakeling naar of hervestiging van een intensieve veehouderij op basis van een concreet initiatief te worden getoetst aan het voorbehoudsbeginsel aan de hand van een omgevingstoets.  Verder moet er aan dit artikel worden toegevoegd dat bij omschakeling/hervestiging het bouwblok (bestem-mingsvlak) wordt aangepast conform de nieuwe bestemming volgens de uitgangspunten van het bouwblok op maat-principe.
j.    De wijzigingsbevoegdheid naar intensieve veehouderijen in artikel 5.4.1 sub f voor een agrarisch-technisch hulpbedrijf, in artikel 6.4.1/6.4.2 voor een agrarisch verwant bedrijf, artikel 7.4.1 voor een paardenhouderij en artikel 10.4.1 voor een bedrijf is niet gepast en niet realistisch. De geringe omvang van de bouwvlakken van deze bedrijven noopt bij zo’n wijziging naar een intensieve veehouderij doorgaans tot een enorme bouwvlakuit-breiding. Dat staat ook haaks op het tegengaan van verstening en het principe van zuinig ruimtegebruik in het buitengebied.

IV.  Recreatie

Het beleid van de gemeente is duidelijk: verblijfsrecreatie wordt sterk gestimuleerd. In het recon-structieplan De Baronie zijn echter duidelijke voorwaarden opgenomen:

    Onder 6.7.3 wordt de Toeristisch-recreatieve ontwikkelingskaart beschreven. Voor het intensief recreatieve gebied bij Baarle-Nassau staat het volgende: Deze gebieden bestaan uit een clustering van intensieve toeristisch-recreatieve bedrijven en voorzieningen of ze kunnen uitgroeien tot een dergelijk cluster. In deze gebieden is ruimte voor kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en uitbreiding van de bestaande bedrijven. Tevens is in deze gebieden ruimte voor nieuwvestiging (nieuwe bedrijvigheid) van kleinschalige intensieve en extensie-ve bedrijven. De recreatieve routestructuren, de informatievoorziening en verbetering van het routenetwerk zijn belangrijke aandachtspunten. Vestiging van nieuwe grootschalige voorzie-ningen is in deze gebieden niet gewenst. Binnen deze gebieden liggen delen van de GHS. De aanwezigheid van de GHS stelt belangrijke kaders voor wat betreft de ontwikkelingsmoge-lijkheden van bedrijven binnen deze zone.
-    In bijlage 8 staat het volgende: Een inventarisatie onder 34 recreatiebedrijven in het re-constructiegebied De Baronie geeft aan dat er een uitbreidingsbehoefte bestaat van ca. 92 ha. Deze extra uitbreidingsbehoefte zal niet worden gecreëerd op die plaatsen waar permanent wordt gewoond.

Wij wensen in het bestemmingsplan deze voorwaarden terug te vinden. Er wordt namelijk nieu-we verblijfsrecreatie toegestaan zoals Het Pelgrimspark en er wordt overal veel uitbreidings-ruimte aan bestaande verblijfsrecreatieve bedrijven gegund ongeacht of in het reconstructieplan is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden en ongeacht de ligging van deze bedrijven. Het heeft veel weg van ‘snoepen van twee walletjes’ en wij zijn van mening dat er wel erg ruim baan aan deze sector is gegeven. Wij vragen ons af of al deze uitbreidingen de draagkracht van Baarle niet verre te boven zullen gaan. Kritische geluiden in verband met de druk die hierdoor op (de inwo-ners van) Baarle wordt gelegd zijn er beslist. Hier speelt net als op diverse andere punten het bo-vengenoemde eenzijdige karakter van het REK parten. In dit verband rijst met het oog op de toe-komst ook de vraag of Baarle wel op de goede weg is en niet de spreekwoordelijke “kip met de gouden eieren slacht.” In combinatie met het ontbreken van adequate bescherming van land-schappelijke en cultuurhistorische waardevolle gebieden (hierna onder V) beschouwen wij een ongebreidelde uitbreiding van verblijfsrecreatieve bedrijven niet als een kwaliteitsverbetering maar eerder als meer van hetzelfde. Het toeristisch product zoals het op diverse plaatsen wordt genoemd behoeft meer creativiteit, waarbij de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied worden versterkt en dit potentieel wordt aangewend voor een hoogwaardig en veelzijdig aanbod aan recreatieve mogelijkheden.

Verder vragen wij in het bijzonder aandacht voor het volgende:

•    De Kievit: Er is sprake van een gekapt bosgebied op het terrein zelf en op een perceel op de grens. De provincie heeft op verzoek van de BMF voor dit terrein tot handhaving besloten. Zoals aangegeven in de toelichting (p. 123) dient er compensatie plaats te vinden voor het eerstgenoemde gebied. Deze compensatie zien we ten onrechte niet terugkeren in het ontwerpbestemmingsplan. Voor het tweede gebied dient het bosgebied te worden herplant en de bosbestemming ter plaatse te worden gehandhaafd.
Ook blijkt uit niets dat voor dit recreatieterrein advies van de commissie toerisme en recreatie is ingewonnen. Daarnaast is er sprake van een nieuwe uitbreidings-mogelijkheid in een gebied met bestemming Agrarisch met landschapswaarden waarvoor een wijzigingsbevoegdheid in artikel 27 is opgenomen. Er zal op zijn minst eerst een toets aan de genoemde voorwaarde dat “geen extra ruimtebehoef-te zal worden gecreëerd op die plaatsen waar permanent wordt gewoond” moeten worden verricht. Een beplanting van 10 meter in dit gebied achten wij overigens veel te dun. Wij missen voorts als voorwaarden: compensatie en advies van de commissie recreatie en toerisme.
•    De Paddock: Ook hier is sprake van uitbreidingen in de GHS en in het directie-advies van de provincie is vanwege het bestaan van alternatieven buiten de GHS een onaanvaardbaar uitgesproken. Er is weliswaar sprake van compensatie maar wij vernemen graag of ten aanzien van De Paddock het ingewonnen advies van de commissie toerisme en recreatie volledig is gevolgd.
•    Ponderosa: Wederom zijn uitbreidingen in de GHS aan de orde. Wij hebben in het verleden herhaalde malen tegen uitbreidingen van dit recreatiebedrijf gepro-testeerd. De toegestane uitbreidingen zowel aan de westzijde van de Maaijkant als aan de noordzijde van de Oude Bredase Baan zijn niet gewenst. De toelich-ting (p. 90-92) is hier zeer warrig en tegenstrijdig en het heeft er alle schijn van dat het terzake ingewonnen advies van de commissie toerisme en recreatie niet volledig is gevolgd. Graag vernemen wij een motivering hiervoor. Zonder com-pensatie is elke legalisering onacceptabel. Compensatie moet de bestemming Na-tuur krijgen.
•    Wouters: Hier is sprake van driedubbel profijt van de beëindiging van eenzelfde Agrarisch bedrijf; ruimte voor ruimte woningen, horeca en minicamping. Dit is teveel van het goede. Gelet op de ligging in een stiltegebied en een struweelvo-gelgebied is nieuwvestiging van horeca en verblijfsrecreatie bovendien niet toe-gestaan. In verband met de handhaafbaarheid is zeker horeca, hoe kleinschalig ook, problematisch te noemen. Overigens zien wij graag op z’n minst een nadere aanduiding van wat onder ‘kleinschalige horeca’ wordt begrepen.
•    Minicampings: Om te voorkomen dat op alle plaatsen in het buitengebied mini-campings worden gerealiseerd is het aan te bevelen slechts een maximaal aantal toe te staan.
•    In het plan ontbreekt de toets door de provinciale commissie Toerisme en Recrea-tie, onderdeel van de Provinciale Stichting Advisering Buitengebied, die gemeen-ten en initiatiefnemers adviseert over plannen voor recreatieve ontwikkelingen in de GHS. Ook voor recreatieve bestemmingen moeten bouwblokken worden aan-gegeven.
•    Alle genoemde recreatiebedrijven liggen in de GHS- natuur of landbouw en moe-ten dus een dubbelbestemming krijgen: zowel recreatie als GHS (zie ook het di-rectieadvies, toelichting, p. 117). Een aanlegvergunningsstelsel biedt onvoldoen-de bescherming. Overigens missen wij ook op andere plaatsen een herkenbare dubbelbestemming, bijvoorbeeld ten aanzien van de Goordonk, Schaluinen en de vuurwerkopslag.

Tot slot merken we hier nog op dat bij veel bestaande verblijfsrecreatiebedrijven de vereiste groensingel van 10 meter feitelijk ontbreekt. Hierin behoort adequaat te worden voorzien. Ook op de verbeelding 1 zijn de groensingels, thans landschapselementen genoemd, ten onrechte, bui-ten de noodzakelijke in- en uitgangen, niet volledig rondom het gehele terrein weergegeven.


V. Landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden

Er is in het ontwerpbestemmingsplan slechts mondjesmaat voorzien in de bestemming Agrarisch met landschappelijke waarden. Vele landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden zijn op de bestemmingsplankaart (verbeelding 1) in het geheel niet beschermd. Nagenoeg alle gebieden die in het geldende bestemmingsplan landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden bezitten zijn zonder enige nadere motivering geschrapt. Dit geldt niet alleen voor gebieden met lage land-schappelijke en/of cultuurhistorische waarden zoals bijvoorbeeld aan de Maaijkant en Hondseind maar zelfs voor gebieden met hoge landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden zoals ten noorden van de Oude Bredase Baan en bij de Oude Strumpt. Wij verwijzen hiervoor naar de als bijlage 2 toegezonden kaarten waarop deze gebieden geel zijn gemarkeerd. Ook mis-sen wij de aanduiding van hoge bolle akkers en diverse archeologische vindplaatsen.
Dit is onbegrijpelijk omdat landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet zomaar verdwij-nen en in de loop der jaren eerder belangrijker worden. Onbegrijpelijk is het ook nu op de ge-meente ingevolge het Verdrag van Malta juist actieve beschermingsplichten zijn gelegd. Dit Verdrag is uitgewerkt in de Wet op de Archeologische monumentenzorg en legt via artikel 38a Monumentenwet op de gemeenteraad de plicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Wij missen in deze ook een landschapsvisie en er ontbreekt een duidelijke eigen, dat wil zeggen niet louter van de provinciale kaarten afhanke-lijke, beoordeling van lokaal beschermingswaardige landschappelijke en/of cultuurhistorische gebieden. Gelet op het Verdrag van Florence met betrekking tot het landschap, is het ontwikke-len van landschapsbeleid en het integreren van dit beleid in de ruimtelijke ordening noodzake-lijk. Voor het vervallen van de bescherming van deze waarden in het geldende bestemmingsplan is hoe dan ook geen enkele motivering. Op z’n minst behoort bescherming op het niveau van het geldende bestemmingsplan te worden geboden.

Dit probleem wordt niet opgelost door louter opneming op de landschappelijke waardenkaart (verbeelding 2b). Anders dan het college in reactie op de provincie wil doen geloven (toelichting, p.120-122) biedt opneming op de landschappelijke waardenkaart (verbeelding 2b) immers on-voldoende bescherming. Dit alleen al omdat in gebieden met louter Agrarische bestemming op verbeelding 1 voor veel werken en werkzaamheden geen aanlegvergunning is vereist. De op deze kaart 2b genoemde waarden vormen bovendien slechts een afwegingskader via artikel 22 (diffe-rentiaties en afstemmingsregels) en komen in alle regels van het ontwerpbestemmingsplan (zie bijvoorbeeld artikel 3.5.1 sub a en b, artikel 3.5.2 sub a en b of artikel 8.2.5 sub a en b en artikel 8.5.1 sub a en b enzovoort) steeds slechts bij onevenredige aantasting bescherming toe. Dit bete-kent dat aantasting van deze waarden uitgangspunt is en kennelijk voor lief wordt genomen. Net als de waarden van de kaart (verbeelding 2a) behoren landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden daarom ook op de bestemmingsplankaart (verbeelding 1) te worden vertaald zodat via de regels daadwerkelijk bescherming wordt geboden. Daarbij komt dat verbeelding 2b ook nog eens onvolledig is en zelfs niet alle op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart opgeno-men waarden dekt. Zo missen wij bijvoorbeeld de laanbeplanting bij het klooster Baarle-Nassau-grens (GHW-code: G951) en is ten noorden van de Oude Bredase Baan nabij het Hoog Huis (gaarshof) een te beperkt gebied als waardevol gemarkeerd. Hetzelfde doet zich voor ten aanzien van het gebied ten zuiden van Loveren, tussen de Molenbaan en de Hoogstratensebaan.

Net als bij de natuurwaarden oogt het geheel onzorgvuldig en wordt beleid gemist.
Zoals ook de provincie in het directieadvies opmerkt (toelichting, p. 122) zijn er in het kader van de ruilverkaveling gedetailleerde en zeer recente kaarten opgesteld. In die zin zijn de provinciale kaarten zoals ook het college in de toelichting (p. 120) opmerkt soms onvoldoende actueel. Des te opmerkelijk dat in het ontwerpbestemmingsplan op geen enkele manier met dit recentere kaartmateriaal en de bijbehorende aanbevelingen is gewerkt. Zo zijn op deze kaarten nieuwe ar-cheologische vindplaatsen aangeduid en blijken ‘Celtic Fields’ nabij het akkercomplex tussen de Molenbaan en de Hoogstratensebaan te zijn ontdekt. Ook bieden deze kaarten een goed beeld van veel aardkundige of cultuurhistorische waardevolle gebieden die een beschermingswaardige status verdienen zoals De witte bergen met het zwart Ven en de Poel en de Schietberg in het Goordonk. Wij dringen er daarom op aan deze informatie alsnog te verwerken, door opneming op verbeelding 1 en verbeelding 2b alsmede door in de regels bijpassende voorschriften op te nemen.

Tot slot dringen wij er op aan in de artikelen 3.1.1., 8.1.1. en 9.1.1. in de doeleindenomschrij-vingen een versterking van cultuurhistorische landschapswaarden op te nemen zoals ook de pro-vincie heeft aangegeven, aldus de toelichting op p. 121. Ook dienen in artikel 3 daarbij passende regels te worden opgenomen die ongewenste ontwikkelingen tegengaan zoals een verbod op diepploegen en egaliseren enz.

VI.  Water

Ruim 70 % van de waterlopen in Baarle-Nassau is ecostroomgebied. Zolang het waterschap geen goed beleid heeft voor de bescherming van waterafhankelijke natuur, is en blijft dit een verantwoordelijkheid van de gemeente. Bescherming tegen verdroging van natuurwaarden dient via het aanlegvergunningstelsel te worden geregeld. De (toekomstige) waterbergingsgebieden en gebieden met maaiveldkwel en bronherstelgebieden zoals te vinden op de Waterkaart van de Provincie moeten gevrijwaard worden van intensieve functies en onomkeerbare ingrepen en ontwikkelingen.
In het ontwerpbestemmingsplan ontbreekt een waterparagraaf.

Voor ingrepen en ontwikkelingen die mogelijk gevolgen hebben voor de waterhuishouding, wa-terkwantiteit of de waterkwaliteit dient in de regels te worden opgenomen dat advies wordt ge-vraagd aan het waterschap.

Wij missen een begripsomschrijving wat onder water en waterlopen moet worden verstaan (5 tot 10 meter van de waterloop liggende oevers behoren ook tot de bestemming water). In de regels (art. 17) moeten onder doeleindenomschrijving ook de oevers een oeverzones worden begrepen.

VII. Teeltondersteunende voorzieningen (tov’s)

De ontheffingsmogelijkheden zijn in het ontwerpbestemmingsplan in diverse artikelen te ruim geformuleerd. Dit staat op gespannen voet met de doelstelling van een bestemmingsplan om rechtszekerheid te bieden. Wordt ruim van deze mogelijkheden gebruik gemaakt dan is voor ons niet te overzien hoe het er in het buitengebied over een aantal jaren voorstaat. Beleid en/of een structuurvisie is ook hier gewenst. Als voorbeeld nemen wij de regels ten aanzien van de teelton-dersteunende voorzieningen.

a. Artikel 1: Begrippen:
Teeltondersteunende kassen (schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen > 1,5 m) die-nen volgens de Beleidsnota Teeltondersteunende Voorzieningen van de provincie, verder de be-leidsnota, als glastuinbouw te worden behandeld. In dit bestemmingsplan (begrip 51) worden ze als de permanente hoge teeltondersteunende voorzieningen opgenomen. De vraag is of dit klopt met de beleidsnota glastuinbouw.
Voor boomteelthekken zijn geen aparte regelingen opgenomen. De beleidsnota geeft hiervoor wel voorschriften (effecten op natuur- en landschapswaarden via bouwvergunningen en ge-bruiksverboden)
In het ontwerpbestemmingsplan wordt in sommige artikelen de term omkeerbare of onomkeerba-re voorzieningen gebruikt (o.a. art. 3.2.5). In de beleidsnota staat dat dit verschil niet meer wordt gemaakt (art. 3.5, overige bepalingen). Deze termen dienen uit de betreffende artikelen te wor-den verwijderd.

b. Ontheffing voor permanenten tov’s op bestemming agrarisch
In de beleidsnota staat dat  permanente tov’s alleen op het bouwblok mogen worden opgericht. In strijd met deze beleidsnota kan in het ontwerpbestemmingsplan via artikel 3.2.5 ontheffing worden verleend voor:
-    het oprichten van permanente lage tov’s (containervelden via omkeerbare voorzie-ningen) tot max. 4 ha aansluitend aan het bestemmingsvlak;
-    hoge permanente tov’s  in de vorm van stellingteelt via omkeerbare voorzieningen aansluitend aan bestemmingsvlak maximaal 2 ha. en
-    hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen niet behorende tot de teelton-dersteunende kassen, in de vorm van foliekassen en tunnels van 1,5 – 8 m hoogte.
Deze mogelijkheden moeten worden geschrapt.

c. Onnodige artikelen aanlegvergunning tov’s
Artikel art. 3.4.3 leden d, f en g kunnen er uit omdat de aanleg van permanente tov’s op agrari-sche gronden verboden zijn.

d. Verbod teeltondersteunende kassen in GHS
Teeltondersteunende kassen (permanent, hoog) zijn volgens de beleidsnota niet toegestaan in de GHS. Omdat op kaart 2a zoals bovenaangegeven de natuurwaarden niet volledig conform de in de Handreiking Ecologische Bouwstenen zijn opgenomen, is de opsomming in lid 4.2.2.a niet volledig. Hetzelfde probleem speelt bij artikel 8.1.2.

e. Uitbreiding oppervlakte teeltondersteunende kassen in struweelvogelgebieden (GHS)
In artikel 4.2.7 is onder a weer slechts een beperkte beschrijving van de GHS gegeven en onder b is uitbreiding van het oppervlakte teeltondersteunende kassen tot 5000 m2 mogelijk gemaakt in struweelvogelgebieden. Dit is in strijd met de beleidsnota.

f. Regels tov’s in gebieden agrarisch met natuurwaarden en met landschapswaarden
In de beleidsnota (§ 3.3) staat: “Voor tijdelijke tov’s geldt dat moet worden aangetoond dat het oprichten geen onevenredige effecten heeft op natuur en/of landschapswaarden. Dit moet gere-geld worden via aanlegvergunningen en gebruiksverboden, gedifferentieerd naar de waarden en voorzieningen. Soms is zelfs een bouwvergunning nodig.” Deze regels komen niet of onvoldoen-de naar voren in het ontwerpbestemmingsplan. Zo is bijvoorbeeld ontheffing voor uitbreiding tov’s en omschakeling naar een ander soort tov’s  in artikel 8.2.1 mogelijk gemaakt voor tov’s in struweelvogelgebieden. Ook is in dit artikel ten onrechte geen onderscheid gemaakt naar perma-nente of tijdelijke voorzieningen. Permanente voorzieningen en teeltondersteunende kassen mo-gen alleen op een bouwblok! Artikel 8.2.5. is weer niet volledig m.b.t. GHS en ook hier is net als in artikel 8.4.1 ten onrechte geen onderscheid tussen permanent, tijdelijk, hoog, laag. Hetzelfde geldt voor de ontheffingsregels van artikel 9 (artikel 9.2.5 en de artikelen 9.4.1 en 9.4.3). Dit alles is niet in overeenstemming met de beleidsnota.

g. Onvoldoende aandacht voor water en tov’s
De beleidsnota schrijft in § 3.5 voor dat het bij diverse Tov’s noodzakelijk is een ontheffing of vergunning aan te vragen bij het betreffende waterschap. Hierover is in de regels van het be-stemmingsplan niets terug te vinden, afgezien van één onderdeel in de afstemmingsregels (art. 22.3.3, onder het kopje afstemming waterbeheer), welke dan ook alleen nog maar geldt voor permanente tov’s en de infiltratie van regenwater.

VIII. Handhaving

In het verleden heeft de ABC milieugroep herhaalde malen geprotesteerd tegen bewoning c.q. recreatie aan de Reth 24c en d en wij zijn het met de reactie van het college op de ingebrachte zienswijzen niet eens. In plaats van overgangsrechtelijke bescherming was sprake van een uit-sterfconstructie. Wij nemen dan ook met grote verbazing kennis van de positieve bestemming en zelfs woonbestemming ter plaatse in het ontwerpbestemmingsplan. Wij beschouwen dit als een beloning van illegaal gedrag en een gebrek aan een adequaat handhavingsbeleid. Dit fenomeen is niet nieuw. Het aantal solitaire (recreatie)woningen in beschermd natuur- en bosgebied neemt tot onze schrik ook in dit ontwerpbestemmingsplan weer toe zoals bijvoorbeeld ook in de Huisven-nen, ter hoogte van Martina’s Hoeve ten noorden van de Bredaseweg en ten westen van de Mar-tina’s Hoeve tussen de Bredase weg en de Oude Bredase Baan. Dit baart ons zorgen. Bij recrea-tiewoningen is niet alleen sprake van aantasting van de natuur maar deze activiteit gaat veelal ook gepaard met het afsluiten van openbare zandwegen en wandelroutes. Om nog maar te zwij-gen over het probleem van de handhaafbaarheid inzake het tegengaan van illegale permanente bewoning. Wij dringen er daarom op aan hier niet te ‘gedogen’ maar op dit punt juist stevig op te treden. Alle niet in het geldende bestemmingsplan opgenomen recreatiewoningen in natuur- en bosgebieden die niet over de benodigde bouwvergunning beschikken behoren uit het ontwerpbe-stemmingsplan te worden geschrapt.

Eenzelfde gebrek aan handhavingsbeleid doet zich ook op andere terreinen voelen zoals ten aan-zien van de genoemde verblijfsrecreatieve bedrijven. Verder worden ook verschillende niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in dit ontwerpbestemmingsplan gelegaliseerd, dat wil zeg-gen positief bestemd, bijvoorbeeld de timmerfabrieken op Schaluinen 8, en wordt aan deze be-drijven vervolgens weer via de ontheffings- en wijzigingsbepalingen allerlei uitbreidings- en wij-zigingsruimte toegestaan. In plaats van grenzen te trekken wordt een beleid gehanteerd dat in Baarle alles kan. In Baarle wordt niet gehandhaafd; alles wordt na verloop van jaren ‘gewoon’ gelegaliseerd. Een daartoe per concreet geval gegeven kenbare motivering ontbreekt en van een afweging van alle belangen die per geval in geding zijn is evenmin sprake, laat staan dat de in individuele gevallen benodigde “natuurtoetsen” zijn verricht. Dit is onaanvaardbaar. Het is nog erger dan een algemeen gedoogbeleid.

In dit kader merken wij ook op dat wij in de handhavingsparagraaf ten onrechte een algehele inventarisatie missen van alle illegale situaties met bijbehorende actiepunten (zie artikel 10.1 Wet ruimtelijke ordening). Voorts ontbreekt hier de verplichting om jaarlijks een handhavings-programma te maken met de benodigde menskracht om deze taak uit te voeren.

Bestaande situaties die illegaal zijn (dus zonder vrijstelling en/of vergunning) mogen hoe dan ook niet met één pennenstreek positief worden bestemd en evenmin onder het overgangsrecht worden gebracht!

IX. Diverse aandachtspunten

a.    Aanlegvergunningstelsel:
In nagenoeg alle artikelen ten aanzien van het verbod om zonder aanlegvergunning bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren is een uitzondering opgenomen ten aanzien van werken en werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn (artikel 3.4.4 sub b, 8.4.4 sub b, 9.4.4 sub b, 11.4.3 sub b, 12.4.3 sub b, 13.4.3 sub b, 14.4.3 sub b, 15.4.3 sub b, 16.4.3 sub b en 17.4.3 sub b). Illegale, dus zonder vergunning verrichte werken en werkzaamheden, behoren niet te worden gelegali-seerd en deze bepalingen zijn daarom onacceptabel. Illegaal gedrag mag niet worden beloond en hier horen zoals ook in artikel 29.3 en 29.7 illegale activiteiten juist te worden uitgezon-derd. Deze bepalingen zetten bovendien aan zelfs thans nog, gedurende de vaststellingster-mijn, gauw even “de schop in de grond te zetten” of “een boompje om te zagen”. Dat dit in het buitengebied geen louter theoretische mogelijkheid is heeft de illegale kap ten tijde van de ruilverkaveling ons wel geleerd! Zonder inventarisatie van wat hier allemaal onder valt is er geen greep op de planologische toekomst terwijl het bestemmingsplan hier juist toe strekt. Dit is innerlijk tegenstrijdig. We hebben het hier per slot van rekening over een bestem-mingsplan dat ongeveer 70 km² bestrijkt. Deze bepalingen moeten worden geschrapt.
In de tabel aanlegvergunningen/strijdig gebruik missen wij het scheuren van graslanden.

b.    Zandwegen:
Zandpaden verdienen, mede vanwege de groene dooradering van het agrarisch gebied en veelal ook vanwege de natuurwaarden en de cultuurhistorische waarden, een aparte bestem-ming. Verharding van zandpaden moet worden uitgesloten en ook niet mogelijk worden ge-maakt via een aanlegvergunningstelsel omdat dan de bestemming wijzigt. Artikel 16.4.2 on-der d. moet worden geschrapt.

Wij missen voorts (delen van) zandwegen, bijvoorbeeld:
-    de Bartelbaan vanaf Hondseind tot aan de Hondseindsebaan,
-    het laatste deel van de Heihoef
-    het eerste stuk Chaamseweg-Hazenberg vanaf de Maaijkantsestraat
-    het oostelijk deel van de Franse Baan naar de Heidreef
-    het gedeelte van de Heidreef tussen Castelsch Baantje en Wildertse baan
-    de laan van de bredase weg naar de Oude bredase Baan ten westen van de Martina’s Hoeve
Zie voorts de in oranje op bijlage 2 gemarkeerde voorbeelden.

c.    Bouwregels van artikel 3.2.1, artikel 8.2.1 en artikel 9.2.1:
De directie heeft naar onze mening terecht geoordeeld dat het oprichten van bouwwerken in deze regelingen ongewenst is. Het hierop in de toelichting (p. 125) gegeven antwoord is niet navolgbaar aangezien van de genoemde beperking tot tov’s in de tekst van de betreffende ar-tikelen niet blijkt. Overigens betwijfelen wij of hier sprake is van een ‘beperking’, waarvoor wij verwijzen naar punt VII.

d.    Crossterein Ulicoten:
Vanwege de ligging nabij het Stiltegebied en aansluitend op de geldende milieuvergunning (toelichting, p. 49) is het gewenst in het bestemmingsplan beperkingen in de sfeer van open-stelling op te nemen.

e.    Antennemasten:
Op diverse plaatsen zijn bestaande antennemasten positief bestemd zoals op Schaluinen, Ponderosa, De Kievit, ’t Ghil en aan de grens. Om wildgroei te voorkomen is een samenhan-gende visie wenselijk.

f.    Woonunits/stacaravans:
In artikel 4.3.9 en  4.3.10 wordt de mogelijkheid geopend van woonunits en stacaravans voor tijdelijke huisvesting werknemers. Deze regeling achten wij sociaal gezien niet gepast en vanuit visueel oogpunt onaantrekkelijk. Het leidt tot een verrommeling van het buitenge-bied. Ook verwachten wij op het punt van de handhaafbaarheid problemen. Graag zien wij deze bepalingen geschrapt.

g.    Standaardcodes; SVBP 2008
De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2008) is niet (volledig) gevolgd. Wij missen onder andere op diverse plaatsen een herkenbare dubbelbestemming. Ook dient bijvoorbeeld de kleur van natuur groen te zijn. Hierbij merken we tevens op dat de arcering Groen, landschapselement op de plankaart verbeelding 1 onduidelijk is en aanleiding geeft om deze waarde over het hoofd te zien.

h.     Begrippenlijst:

•    Terzake deskundige commissie of instantie:  Voor de aspecten natuur- en milieu ontbreekt ten onrechte een aparte commissie. In de afstemmingsregels (artikel 22) behoort naar deze commissie te worden verwezen

•    Beplantingsplan: beplanting van 3 meter is te weinig. Dat moet minstens 5 me-ter zijn. Voor bestemmingsvlakken >1,5 ha. moet dit minimaal 10 meter zijn, al-dus ook de beeldkwaliteitsplannen betreffende De Baronie. Tevens zijn wij van mening dat de beplanting binnen het bestemmingsvlak moet liggen.

•    stacaravan/chalet: het schrappen van het begrip chalets uit het ontwerpbestem-mingsplan (toelichting, p. 122) lost het gesignaleerde probleem niet op. Een cha-let is een bouwvergunningplichtig gebouw en die hoort niet thuis op standplaat-sen voor stacaravans.

•    Volwaardig agrarisch bedrijf : voor een volwaardig bedrijf dient een minimale omvang van 40 NGE te worden gehanteerd; daaronder is er geen sprake van een agrarisch bedrijf.

i.    foutjes:

•    In artikel 4.3.4 onder a wordt verwezen naar artikel 22 lid 2.4.3 hetgeen ver-moedelijk moet zijn artikel 22 lid 22.2;

•    ’t Merkske heet ten noorden De Mark en deze waterloop heeft een onvergraven meanderend verloop in plaats van onbegraven (toelichting, p. 33);

•    Camping De Heimolen ligt op de Molenheide en niet op de Tommelse heide.

•    In bijlage 3 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan is het verkeerde re-constructieplan, namelijk betreffende De Peel en Maas opgenomen. Bijlage 5.2. van het Reconstructieplan Baronie ontbreekt.

Kaarten

[powered by WordPress.]

Home

Vereniging:

Medewerkers

categories:

Waarnemingen:

Invoeren

Bekijken

Handleiding

Forum

 

Archief:

april 2009
Z M D W D V Z
« mrt   mei »
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
2627282930  

Overig:

Je kunt er niet omheen.... Bijna dagelijks worden wij met onze neus op milieuproblemen gedrukt: stank, lawaai, verontreinigd water... maar ook structurele problemen: stervende bossen, verzuurde bodem, broeikas-effect, verkeersellende, aantasting van de ozonlaag enz... Al deze symptomen wijzen erop dat natuur en milieu ernstig ziek zijn en dat met vereende krachten door politici, bedrijfsleiders, wetenschappers, milieuactivisten én iedere burger getracht moet worden onze aarde ongeschonden door te geven aan hen die na ons komen. Wij als ABC_MILIEUGROEP voelen ons verantwoordelijk voor onze kinderen en kleinkinderen.

Links:

18 queries. 0.536 seconds